
In mijn herinnering zijn mijn benen al halverwege de marathon op. Maar is dat eigenlijk wel zo? Voordat ik iets kan verbeteren, moet ik weten wat er werkelijk gebeurt, en dat blijkt toch iets anders te liggen dan ik dacht. Kortom, het is tijd om mezelf te confronteren met de feiten.
Voor deze nulmeting ben ik naar drie dingen gaan kijken: mijn vorige marathons, mijn jaarlijkse sporttest en de halve marathon van afgelopen zondag in Eindhoven.
De plaats delict
Het symptoom van de verzuurde benen heb ik voor het eerst geconstateerd tijdens mijn tweede marathon in 2024. Mijn benen lopen vol en krijg ik nauwelijks nog opgetild, terwijl mijn ademhaling en hartslag nog prima is. De experimenten die ik sindsdien heb gedaan om dit te verhelpen hebben helaas nog onvoldoende gewerkt, en achteraf lijkt het vooral een gevalletje pleisters plakken.
Dus heb ik mijn vorige marathons uitgetekend: mijn snelheid per kilometeren het punt waarop die inzakt. Bij Lean noemen we zo’n plek de plaats delict. De plek waar je het ziet gebeuren, en waar je dus naartoe gaat om te kijken wat er werkelijk misgaat.


Twee dingen vallen mij hier op.
En dat is nu precies waarom je meet. In mijn werk zie ik het voortdurend gebeuren: iedereen in de ruimte is overtuigd van waar het misgaat en iedereen wijst een andere plek aan. En je denkt vaak al gelijk te weten waardoor iets komt. De oplossing heb je paraat, en wordt meteen de nieuwe werkwijze. Maar wat ook mij hier niet gelukt is, is de kunst is om die verleiding te weerstaan. Eerst meten, kijken en begrijpen wat er gebeurt, zonder de oplossing al te hebben.
Het tweede is een vraag. Bij mijn laatste twee marathons is het verval na de plaats delict een stuk groter dan bij de eerste twee: 25 en 13 seconden per kilometer langzamer gemiddeld dan daarvoor. En in diezelfde twee wedstrijden lag mijn gemiddelde snelheid ook een stuk hoger. Is daar misschien een verband? Die vraag parkeer ik voor nu tot de analyse, daar ben ik nog niet
Mijn drempels
De tweede meting die meetelt is mijn jaarlijkse sporttest waar ik twee belangrijke drempels te weten krijg. De eerste drempel vertelt mij bij welke hartslag mijn lichaam melkzuur (lactaat) begint op te bouwen, oftewel wanneer de verzuring langzaam begint. De tweede drempel vertelt mij bij welke hartslag ik nog net genoeg zuurstof kan opnemen en de aanmaak en afbraak van het lactaat in balans houd. Als je hier overheen schiet dan verzuren je benen snel.
Deze drempels moet ik kennen, want het bepaalt hoe hard ik moet lopen tijdens mijn trainingen. Train ik er iedere keer onder, dan word ik niet sneller. Ga ik er telkens overheen, dan put ik mezelf uit en word ik ook niet sneller. Het luistert dus nauw.
En dat is waarschijnlijk het stuk van dit verhaal dat het meest lijkt op wat ik in het werk ook vaak zie. Allebei die fouten voelen namelijk als inspanning. Je kunt een team maandenlang onder zijn kunnen laten werken, of er juist structureel overheen jagen. In beide gevallen leidt het niet tot structurele verbeteringen. Je moet dus weten waar die grens ligt.
Zondag in Eindhoven
En tot slot de meest recente meting: hoe sta ik er conditioneel voor aan het begin van deze voorbereiding? Afgelopen zondag stond de halve marathon van Eindhoven op het programma.
Het plan was van tevoren bepaald. Vijftien kilometer op mijn beoogde marathontempo van 3:47 per kilometer, het tempo dat hoort bij een eindtijd van 2 uur en 40 minuten. En als het lukt, de laatste kilometers doorversnellen. Ik wilde twee dingen weten: of ik dat marathontempo nu al 21,1 kilometer kan vasthouden, en of mijn hartslag daarbij stabiel rond mijn marathonhartslag blijft. Vandaar die mooie band om mijn arm: die meet nauwkeurig tijdens de wedstrijd mijn hartslag en kan ik tijdens de wedstrijd zien hoe het gaat.
Het lukte! Omdat er veel tegenwind stond, hielpen we elkaar door samen te werken. We liepen in groepen afwisselend op kop, en zo kon ik geregeld ook mooi schuilen achter wat ruggen. Na 15 kilometer voelde ik me nog fris en kon ik samen met iemand doorversnellen naar kilometers van gemiddeld 3:37 en nog naar 3:31.
Eindtijd: 1 uur 18 minuten. Dat is bovendien mijn persoonlijk record op deze afstand, gelopen in een wedstrijd waarin ik bewust niet voluit ging. Vergeleken met eerdere voorbereidingen en met recente halve marathons die ik wel voluit liep, sta ik er dus beter voor.
Wat zegt dit mij?
Ik weet nu waar ik sta, en zondag levert daar de feitelijke onderbouwing bij: het doel is ambitieus en realistisch om verder voor te trainen.
De belangrijkste vraag staat ondertussen nog helemaal open. Waardoor komt toch die verzuring tijdens mijn marathons? Volgende keer neem ik je mee in de analyse. Dan ga ik op zoek naar de grondoorzaak achter die plaats delict. En ondertussen lopen die andere twee uitdaging gewoon door, want hoe blijf ik prioriteiten stellen en iedere dag opnieuw voor dat doel kiezen?
Met deze vragen ga ik aan verder aan de slag. Maar ik wil jou ook een vraag meegeven. Wanneer heb jij voor het laatst gecontroleerd of jouw beleving van een probleem nog klopt met de cijfers?
/ Saskia